Geschiedenis 3

Home Nieuws Zelzate Leeft Gemeentebestuur Politiek & Beleid Zoeken & Links Sitemap

 
Back Home Up Next            30-03-2002

 

DE GESCHIEDENIS VAN HET KANAAL GENT-TERNEUZEN:

1. DE ZEE

De zee bedekte aan het einde van de vierde en bij het begin van de vijfde eeuw opnieuw het duinenlandschap van onze gemeente en drong door tot in het achtergelegen veengebied. De geschiedenis en de oude landkaarten, maar ook de samenstelling van de bodem bewijzen dit. Ook in het midden der zevende eeuw leest men in de kronijken van Oudenburg in West-Vlaanderen, Aardenburg in Zeeuws-Vlaanderen en Oostburg in Zeeland over de eeuwenoude strijd tegen de zee, de watergebieden van het noorden, de scheldemeanders, de parternostereilanden of verzopen gewesten.

Zelzate werd dan ook maar betrekkelijk laat herbevolkt. De nieuwe kolonisatoren waren Saksen en Friezen, afkomstig uit Noord-Duitsland. Zij stichtten omstreeks 714 de vier Ambachten: Axel, Boechoute, Hulst en Assenede waartoe het grondgebied Zelzate behoorde.

In 843 wordt door het Verdrag van Verdun het rijk van Karel De Grote opgesplitst en wordt een deel van Vlaanderen: het land van Waes en de vier Ambachten, rechts van de scheldearm waarvan de Burggravenstroom een overblijvende meander is, bij het Duitse Rijk gevoegd.

II. DE BURGGRAVENSTROOM

De stad Gent is van oudsher een belangrijk centrum geweest van industrie en handel. In de tiende eeuw was de stad met de zee verbonden door de waterweg "Le Torrent des Chatelains", langs Kluizen, Ertvelde, die zich te Boechoute en te Assenede in de Braeckman wierp tegenover Biervliet. Een derde vertakking stond in verband met een oude arm van de Durme die uitgaf in de Heidezee (= Honte). Deze waterweg kon echter slechts gebruikt worden door kleine schuiten, die de Gentenaren toelieten turf van de moeren rond Zelzate naar Gent te brengen. Dit verkeer was echter zo gering dat het weinig invloed had op de economie van de stad.

Men is de mening toegedaan dat "Le Torrent" nagelaten is door "la retraite des eaux de la op het grondgebied van de Gentse Kasteelheren, waarvan dan ook de benaming. Tengevolge van grote overstromingen die het Noorden van Vlaanderen teisterden begon het noordelijk gedeelte van de "Le Torrent" met zijn 3 vertakkingen te verzanden en werd de toegang tot de zee onmogelijk.

Tal van "meerschen, moeren en broeken" werden onder het toezicht van "moermeesters en dijkgraven" door het opwerpen van dijken op de zee gewonnen en vruchtbaar gemaakt. Vandaar de rijke polders die we in het Noorden van Zelzate kennen.

En de Burggravenstroom? Nu is het een afwateringssloot waarvan de gemeente Ertvelde de geschiedkundige documenten bezit.

III. DE WATERGANG

De verzanding van de Burggravenstroom schiep nieuwe noden. Om de gewonnen turf uit het “Zelzater Moer” naar de grote afnemer en verbruiker Gent te kunnen transporteren werd op initiatief van de turfontginners een kanaal gegraven, "de waterganc", van de plaats genoemd Rodenhuize naar Zelzate. Daartoe volstond het een oude arm van de Durme, die buiten Zelzate met de zee in verbinding stond door de "Mooie", te kanaliseren. Van Rodenhuize vaarden de turfschepen langs een gedeelte van de Kale tot Langerbrugge om door de oude Burggravenstroom, ook Schipgracht genoemd, Gent te bereiken.

Voor de eerste maal komt de naam van onze gemeente opdagen. De geleerde geschied- en oudheidkundige J. RAEPSAET beroept zich op een oorkonde, medegedeeld door DE ST.-Genois (Monuments anciens, blz. 601), waarin Zelzate "alstoen slechts enen wijk van Assenede zijnde", reeds in 1236 wordt opgenoemd. Johanna van Konstantinopel, gehuwd met Ferrand van Portugal (1212), waarna met Thomas van Savoie (1237), hechtte op haar beurt het zegel aan de grondwet, die het bestuur van Assenede en Zelzate in Assenede-ambacht regelde (1242). De keure duidt ondermeer het gezag van de graven en de kasteleinen in de Vier-Ambachten aan.

De strijd tegen de zee werd verder gestreden. Om de eisen van de Klauwaerts in te willigen, nl. nieuwe overstroming tegen te gaan, werd onder Gewijde van Dampierre door zijn zoon Jan van Namen de Gravejansdijk opgeworpen in 1288. Deze dijk liep van Blankenberge langs Boechoute, Kapellestraat (Assenede) naar het Sas van Gent en Westdorpe tot Terneuzen. Gevolg: oude armen van de Durme werden van de zee afgesneden en stagneerden in moeren en wieligen tot aan Zelzate. De "wateringen" (soort gilden) organiseerden de gemeenschappelijke belangen en ontginningen.

In 1323 lezen we in de brieven van Lodewijk van Nevers over "Le waterganc qui va du meur de Zelzaten vers Gand", waarvan de Gentenaars "het verboom" en "gebruik" mochten behouden. Dit was naar aanleiding van een verbetering aangebracht door Gentse eigenaars, o.a. de familie Artevelde, die in Zelzate turfputten bezat.

In een rentboek van 't Rijke Gasthuis (1459) te Gent leest men " ...parochie van Assenede, nieuw beloep, gheheeten Zelzate". Dit laat veronderstellen dat er reeds volk woonde in ons dorpje.

Van uitbreiding van Zelzate kon geen sprake zijn zolang de zee niet overwonnen was. Wegens de menigvuldige overstromingen, waaraan een groot gedeelte van het Ambacht steeds bloot stond, waren in de loop van de vijftiende eeuw de parochies Moerkerke, Peerboom, Steenlant, Niekerke en Hertingen voor eeuwig door de golven verzwolgen. Meer dan eens kenden onze eerste bewoners ook geweldige dijkbreuken die alles vernietigden, en Zelzates traagzame ontwikkeling niet weinig belemmerden. Wethouders en belanghebbende eigenaars trachtten die rampen te voorkomen, zoals in 1498, wanneer een gans nieuwe dijk tegen de Zee werd opgeworpen.

In 1540: "Karel de V, ten einde de Gentenaars te straffen voor hetgene hij hunner oproer noemde, ontnam hen den eigendom der Burgsgraven-Visscherij, en gaf het daarna terug bij edict van den 1sten october 1541, met den titel van Gendsche Vaart". De vorst had een zwakje voor zijn geboortestad, de verwende fiere Gentse stede.

De zee was minder mild, spoog “het Swijn en de Lieve” vol zand, zodat de haven van Damme voor de Gentenaars verloren ging. Tijdens de troebelen in de 2de helft der zestiende eeuw gingen ook nog Willemskerke en Vroomdijk door overstromingen voor het ambacht definitief teloor (1545).

Wanneer de turfexploitatie in het Zelzater moer in belang afnam, werd de waterweg Zelzate-Rodenhuize minder en minder bevaren en onderhouden, zodat verzanding optrad.

IV. SASSEVAART

In de XVIde eeuw kende Gent een economische bloei door de opkomst en de uitbreiding van de linnennijverheid. Doch de economische expansie en handel werden geremd door het feit dat de stad Gent niet over een directe en degelijke verbinding beschikte met de zee.

Op 3 februari 1547 werd een aanvraag voor een “Nieuwe Vaart naar de Dullaert” door de schepenen van Gent aan het gouvernement overgemaakt. Maria van Hongarije deed aanstonds de waterlopen onderzoeken. Door ordonnantie van 26 mei 1547 getekend te Turnhout (Tournault), verleende Keizer Karel V vergunning om het gedeelte van de Sassevaart te graven tussen Roodenhuize en de zeedijk van de Braeckman. In deze vergunning stond vermeld : "Men heeft gevonden een zeker ou gedelf, aanvangende buiten de rivier roeden (7.700 ellen) en diep twee, drie, vier, vijf, zes voet en op andere punten zijnde dit gedelf vol gras en vuiligheid, zodat, om langs het water aan landdijk te kunnen komen van een kreek, deel uitmakende van de Braeckman, het slechts zou nodig zijn uit de volle grond ongeveer 880 roeden te delven.". Het ging hier duidelijk over de oude waterganc of turfvaart. De werken werden uitgevoerd van september 1547 tot in het voorjaar 1549.

Het oude gedeelte van de Burggravenstroom bleef voorlopig onaangeroerd.

V. HET SAS VAN GENT

Op 18 juli 1549 kwam keizer Karel V in zijn geboortestad zijn zoon Filips als graaf van Vlaanderen aan de Gentenaars voorstellen. De schepenen vroegen toestemming om de Landdijk te mogen doorsteken. De regering bleek gunstig gestemd tegenover het bouwen van een sluis die de Sassevaart met de Schelde zou verbinden. Dit kunstwerk werd als onmisbaar geacht, vermits anders de schippers aan de Landdijk aan wal moesten komen, de goederen ontschepen, over de dijk dragen en in schuiten laden, om verder naar Gent te worden vervoerd. Voor het zeewaarts verkeer van Gent uit ging het juist andersom. Met zo'n omslachtige werkwijze ging tijd- en geldverlies gepaard en was Gent allesbehalve een zeehaven.

De Gentenaars dachten het pleit gewonnen te hebben zonder slag of stoot. Maar Antwerpen, dat de mededinging van Gent als mogelijke zeehaven vreesde, probeerde stokken in de wielen te steken, maar op 13 december 1549 werd toelating gegeven de landdijk te doorsteken en de nodige sluizen, kaaien en havendammen aan te leggen. De werken liepen van 10 augustus 1551 tot 3 april 1563.

‘t Was buiten de zeedijk, dat men een Sluis vervaardigde, Soute-Spui, waarvan Antonie de Baenst, ridder, heer van Axpoele, Hansbeke, enz., eerste schepene der stad Gent, de eerste steen heeft gelegd, op 19 augustus 1551.

Nadat Keizer Karel de Vde afstand gedaan had als souvereine vorst van de Nederlanden ten gunste van zijn zoon Filips, op 15 oktober 1555, vertrok hij uit Brussel via Gent naar het Sas van Gent, waar hij met zijn beide zusters Eleonora van Frankrijk en Maria van Hongarije voor het laatst de werken aan de nieuwe Sassevaart bezocht. De Valk, onder het bevel van Adolf van Bourgogne, lag te Vlissingen voor anker om Zijne Majesteit naar Spanje te varen.

De schepenen van Gent verzochten de graaf van Vlaanderen (Filippus II, koning van Spanje, vertegenwoordigd door zijn onechte zuster, Marguerita, hertogin van Parma, toenmaals Gouvernante der Nederlanden) toestemming "den eigendom des Kanaals" te laten behouden aan de Gentenaars "met alle regten daaraan vastgehecht, alsmede verscheidene loten van landen rondom de Vaart gelegen." Dit verzoek werd ingewilligd bij edict van 28 juni 1561.

De Gentenaars hadden bezwaar tegen het feit dat hun voorhaven aan landelijke rechters (de schepenen van Assenede-ambacht) werden onderworpen. Op 8 november 1561 kwamen kanaal en Sas onder de rechtstreekse jurisdictie van de Magistraat van Gent en, om een wettelijke vorm aan deze uitbreiding van rechterlijke territoriale bevoegdheid te geven, werd het Sas tot leen verheven, met de graaf van Vlaanderen als leenheer en de stad Gent als leenman. De schepenen van Gent kwamen er regelmatig recht spreken. Op het einde van de strekdijk werd een galg opgericht en een gevangenis geschikt gemaakt. In een der huizen, gelegen op de Zoute Spey, bezaten de schepenen van Gent een echt stadshuisje, waarvan de vensters versierd waren met de Gentse en Vlaamse leeuwen.

Op 8 mei 1561, negen jaar na de eerste sluis, werd de eerste steen gelegd van de binnensluis "Zoete Spui".

Na een bezoek aan de werken door de graaf van Egmont, gouverneur van Vlaanderen, in opdracht van de landvoogdes Margareta van Parma op 14 mei 1562, werd toelating gegeven het gedeelte Gent-Roodenhuize te verbreden en te verdiepen. Op 3 april 1563, ruimde men op het Sas van Gent de zeedijk weg, die de sluis Zoute-Spui bedekte. De volgende dag werd de "Sassche-Vaart" geopend. Het eerste schip dat de nieuwe haven binnenliep (4 april 1563) "met toejuiching van een groot aantal aanschouwers, welke die plegtigheid bijeen geroepen had", droeg een lading haring en 96 verse zalmen.

Ten behoeve van het landverkeer Assenede, Triest, Zelzate werd een veerdienst ingesteld te Zelzate. Boot, dienst en tol, 't behoorde al aan Gent. Aan dat knooppunt, land-waterweg, ontstond "Neer Selzaeten" (Groenstraat - Franz-Wittoucklaan).

"Den 1 julij 1564, werdt de regering van Gent onderrigt, door Pieter Bernaert, dat de buiten Sluis (Zoute-Spui) zoude instorten, Ten einde zulks te voorkomen gaven zij orders om dezelve te slechten, en lieten er eene nieuwe vervaardigen, digter bij de binnen Sluis.” Jan Damman, eerste schepen van Gent, legde de eerste steen van die nieuwe sluis op 2 mei van 't jaar 1565.

Ondertussen (in 1564-1565) werd de "Oude Vaert" (= Burggravenstroom) en "Moere", tot dan onaangeroerd, uitgediept en door de "veste ten Voghelensanghe achter de Groene Briel” (nu Blaisant Vest) met de Lieve (in 1964 gevuld) verbonden.

De nieuwe Zoute Spui werd plechtig ingewijd door Jan Damman op 29 juli 1567. Het is aan die haven en haar sluizen dat het stadje Sas van Gent zijn oorsprong vindt. De vestingswerken begonnen onder het bestuur van Adolf van Bourgogne, en het burgemeesterschap van Karel van Ydeghem, heer van Busbeke, en Josse van Brakele.

De benoeming van de ambtenaars van dit rechtsgebied gebeurde door de regering van Gent. De nederzetting Sas-van-Gent, telde kaaimeesters, kaaigezellen, winkeliers en herbergiers. Op het Sas en langs de Sassevaart (dus ook te Zelzate) was handel drijven en koopwaren stapelen streng verboden. Alléén toevallig lossen en laden was toegelaten. Alle koopwaren moesten eerst naar Gent worden gebracht om er verkocht of verder verzonden te worden.

De watergeuzen, in opstand tegen de Spaanse dwingelandij, overmeesterden op 21 mei 1572 het Sas van Gent en verbrandden er huizen en sluizen, na de inwoners verwittigd te hebben. De baljuw G. Brecht en de kaaimeester Jan Damman met 40 man vluchtten naar Gent. Wanneer de Geuzen dezelfde dag terug afvaarden was het Sas geruïneerd. Toen besloten de Gentse magistraten om van het Sas van Gent een belangrijke vesting te maken.

Na de bekrachtiging van het eeuwig edict, gesloten te Marche en Famine, op 12 februari 1577, tussen de “Staten Generaal van de Vereenigde Nederlandse Provinciën” en Don Juan van Oostenrijk als gevolmachtigde van het Spaanse Gouvernement, werden de sluizen te Sas van Gent op 7 april 1577 opnieuw hersteld. (Maar slechts om militaire doeleinden ten bate van Prins Willem van Oranje.)

In 1578 kwam er grote watersnood met al de gevolgen van dien. Ook Zelzate en Wachtebeke hadden dikwijls te klagen van watergeweld. Heel wat landbouwgrond bleef door het "zoute water" van de nabije zee voor verschillende jaren totaal onbebouwbaar of overspoeld.

Na de herovering door de verrader Servaas van Steeland (22 oktober 1583) en door de Spanjaarden in 1585, kwam een nieuwe plaag: de vrijbuiters. In ongeordende kleine benden, bestaande meestal uit avonturiers en verlopen soldaten, voerden ze hun strooptochten uit langsheen de Sassevaart "omtrent Riemen", waar ze het op de schepen, en op de "passagierende landslieden" hadden gemunt.

In 1604 viel Maurits van Nassau binnen. Toen het fort Ijzendijke in Hollandse handen viel, was de nood van Assenede zó groot geworden, dat de 7 schepenen "omme te schuwen periele ende dangier van vanghenesse" besloten voortaan hun vergaderingen binnen Zelzate te houden tot in 1609.

In 1615, ingevolge behoorlijke machtiging werd de Sint-Franciscuspolder ingedijkt. De +/- 450 Zelzatenaars waren toch al van één vijand bevrijd. Bleef nog de oorlog!

Frederik-Hendrik zette er alles op om het Sas van Gent in handen te krijgen. Geland in Filipinne verschansten zijn legers zich te Assenede. De schepenen van deze gemeente zagen zich verplicht "onder grooten noodt" - zoals in 1604 te Zelzate te vergaderen waar het echter al niet veel veiliger kon zijn dan te Assenede. Door de inname van het Sas door Prins Frederick-Hendrik van Oranje op 7 september 1644 (na anderhalve maand belegering) kwam de monding van de Sassevaart op vreemde bodem te liggen, ondanks de heldhaftige verdediging door de Spanjaard don Andrea de Prada Y Muxica. Van nu af was het Sas van Gent een onafhankelijke gemeente.

In gevolge het vredestraktaat gesloten tussen de Verenigde Provinciën en Spanje, getekend te Munster op 30 januari 1648, werd de mond van de Schelde, de kanalen naar het Sas en het Zwin voor de scheepvaart gesloten. De Gentenaars verlieten het Sas en het kanaal. Langzamerhand slijkte het dicht, zandbanken en schorren wasten in den Braakman aan, en vestigden zich bijzonder voor de haven. Weldra was de ingang voor grote koopvaardijschepen onbruikbaar. In Noord-Nederland werd de Braeckman ingepolderd zodat de vaargeul die naar het Sas van Gent leidde reeds op het einde der 17e eeuw tot een onbelangrijk beekje was herleid.

De grootste overstroming waarvan de kronieken gewag maken viel voor in 1673. Zij werd veroorzaakt door de Hollanders, die om krijgsmotieven de dijk doorstaken, en Zelzate daardoor zoveel nadeel toebrachten, dat het de gemeente in 1686 nog onmogelijk was de geleden schade te herstellen en de bestuurders van het ambacht Assenede, waaronder Zelzate begrepen was, zich gedwongen zagen hun toevlucht te nemen tot de Koning, om gedurende verscheidene jaren vermindering van lasten te bekomen.

In 1737 werd op aanvraag van de stad Gent het kanaal verdiept en gekuist. Doch door het inpolderen van de Braeckman en het verzanden van de monding, diende men over te laden aan het Sas. 

De eerste draaibrug van Zelzate, gelegen in de Groenstraat aan 't lokaal "De Roos" dateert van 1779.

Gent werd opnieuw een belangrijk textielcentrum, met vlas en vooral katoen als gebruikte grondstoffen. Een betere uitweg naar de zee drong zich op. Keizer Jozef II deed lofwaardige pogingen om de Schelde te heropenen in het voordeel van Antwerpen en Gent, maar de Keteloorlog leverde geen resultaat. Integendeel, het Verdrag van Fontainebleau, op 2 maart 1786 te Gent afgekondigd, was even drastisch als het Verdrag van Munster uit 1648: het kanaal bleef dicht.

In 1795 was het kanaal zo goed als verzand (max. tonnenmaat 60 à 80 T en op de Braeckman max. 100 T).

VI. KANAAL GENT-TERNEUZEN

Na de troonafstand van Keizer Napoleon werden de Nederlandse Provinciën tot één koninkrijk verenigd. Het Congres van Wenen gaf de troon aan Willem Frederik van Oranje-Nassau, die als Koning uitgeroepen werd op 17 mei 1815.

De gelukkige veranderingen die de Provinciën ondergingen en de economische heropbloei van Gent door de katoennijverheid waren nieuwe bronnen van voorspoed geworden. Het eerste voorstel om de Sassevaart te hergraven werd van de hand gewezen door de Staten-Generaal in 1817. 

De vrije scheepvaart op de Schelde verwekte echter de aandacht van de Vorst. Een koninklijk besluit van 17 december 1823 bepaalde, "dat er een kanaal van Gent naar Terneuzen zou gedolven worden". De uitvoering in vergunning ging over drie secties: van Gent naar Sas-van-Gent (21.360 m), tussen Sas-van-Gent en de twee sluizen (12.756 m) en van Terneuzen tot de Westerschelde (600 m).

De twee sluizen hadden een breedte van respectievelijk 8 m en 12 m. Het kanaal zelf was 23 tot 25 m breed aan de waterspiegel, 10 m op de bodem en 4,40 m diep. De vrije breedte van de brugopeningen bedroeg 12 m. Behalve de twee grote sluizen van Terneuzen waren er nog de sluis te Sas van Gent, een sluis aan de mond van de Moervaart en zeven draaibruggen, waarvan zes dubbele en nog een groot getal andere bruggen, sluizen, en verscheidene grote dempingen, nodig geoordeeld om aan het kanaal de vereiste breedte en lengte te geven.

De inwijding van het kanaal en van de twee sluizen te Terneuzen had plaats op 18 november 1827. Enkele passages uit het verslag van het Zelzaatse gemeentebestuur over de feestelijke doortocht door Zelzate op 19 november 1827:

“... De Achttiende November, Verjaardag der geboorte van onze Geliefde Koningin, en dag tot de plegtige inauguratie van het bedoelde Kanaal bestemd, zag men des morgens door deze gemeente passieren, de Bargie van Gent waar op zich bevond de Societeit Sint Cecilia; verscheidene andere vaartuigen en een aanzienlijk getal Voorname ingezetenen der Stad Gent met hunne rijtuigen, zich allen naar Neuzen Wendende alwaar de opening van het Kanaal den zelven dag door Z.E. den heer Staatsraad Gouverneur deze provincie in naam des Konings moest plaats hebben.
 ...
Den Maandag 19n November met het aanbreken van den dag werd het feest door het losbranden van het kanon en het geluid der klok binnen deze gemeente aangekondigd.

En om acht ure waren de huisen, de molens den klokketoren en andere gebouwen allen op nieuw en met meerder pracht dan den vorigen versierd; onderscheidene eerebogen en piramides allen omhangen met jaarschriften toepasselijk tot het feest waar langs de oevers van het kanaal geplaatst, het gelijk tot het feest, het gezigt werd verrukt door de wimpels en vlaggen welke men aan de brug, aan alle huisen immers van alle kanten zag zwaeyen en door de verdubbelde sparrenbomen welke men langst het kanaal afmet wit katoen of met perkalie festons gewijse behangen aantrof.
...
Om negen en half ure begaven zich de Heeren Burgemeester assessoren en leden van het bestuur, voorgegaan door het gilde van Sint Sebastiaen met zijn vaandels en fraaye eereteekenen, vergezeld door het even opgenoemde Basseveldsche toonkunstig genootschap onder het Spelen van onderscheidene marchen in de baste orde, het welk gedurig onderhouden is door de Koninklijke Marechausseen van Assenede die op aanzoek van het bestuur zich binnen onze gemeente hadden begeven, en gevolgd door eene menigte toegevloeide Menschen en onder het geroep van “Leven de Koning!” langst de oostzijde van het kanaal tot op de grenzen dezer gemeente en die der Provincie, in aantogt, ten einde aldaar de komst van ‘s Konings vertegenwoordiger af te wachten.

Nauwelijks was deze Stoet ter bestemde plaats aangekomen, of eensklaps zag men van ver verschijnen en ijlings naderen

1e. het Jagt "De Griet" met de geemployeerde van de Concessionarissen en van den Waterstaat.
2e. het Jagt "Zephir" met de heren Concessionnarissen en de hoofden subalternes Ingenieurs. 
3e. De bargie van Gent met Sint Cecilia en de utopiaansche artillery.
4e. Zijn majesteits Jagt "De Juno" met 's Konings vertegenwoordiger en andere hoofdambtenaren.
5e. een jagt met de gedeputeerde Staten van Oostvlaanderen en Zeeland.
6e. een ander Jagt met den Procureur des Konings en andere hoofdambtenaren.
7e. de Pleit de twee gebroeders met passagiers.

Welke stoet gevolgd door een Detachement husaren, bij het inkomen der gemeente werd ontvangen onder het Spelen van het Muzyk, het geluid der Klok en het losbranden van het kanon; terwijl ook van de andere Zijde het geschut van de utopianen zich als een donder liet hooren,

‘s Konings vertegenwoordiger op het grondgebied bekomen zijnde werd door Burgemeester, assessoren en verdere leden van het bestuur te gemoet gegaan en gegroet, en bij zijn minzame beantwoording Weergalmde de lucht van het vreugde geroep van "Leve de Koning !" Onder het spelen van verscheidene muzykstukken en onder de algemeen toejuichingen van elk werd de aftogt naar de Selzaetsche brug voortgezet. Daar aankomende trok eene Rij Jonge maagden tengetalle van twaalf welke op de brug gerangschikt Stonden aller aandacht tot Zich.

‘s Konings vertegenwoordiger werd op een waarlijk aandoenlijke wijze door deze jeugdige maagdenrij, verwelkomt en zijnen waarden schedel alsmede die zijner gesellen door haar met bloemen bestrooid welker plegtigheid door hem en zijn gevolg door harttreffensten dank werd toegebracht die het genoegen van allen aanschouwen verwekten,...“

(getekend door secretaris J. Sabot en Burgemeester J.B. Gillis)."

De eerste schepen die door Zelzate vaarden op 15 december 1828 waren de "Frederica" onder het bevel van Kapitein Van de Kerkhove en "Paulina" onder Joossens, komend van Liverpool, geladen met zout.

Met de onafhankelijkheid van België op 4 oktober 1830 ging nog maar eens de sluiting van het kanaal gepaard. In 1837 werd het plan opgevat Zelzate westwaarts via Assenede, Boechoute water te verbinden met het Lieve Kanaal om dan langs Heist de Noordzee te bereiken. Het kanaal Heist-Zelzate werd gegraven tot voorbij Boechoute, doch toen werd bewezen dat bij verbinding met de Lieve het minste wassen van het water de overstroming van Assenede voor gevolg zou hebben. Het plan werd dan ook opgegeven en het gegraven kanaal gevuld.

Door het Londense Tractaat van 19 april 1839 werd de vrede tussen België en Nederland geregeld en, na het uitvoeren der nodige baggerwerken, kon het kanaal Gent-Terneuzen einde 1841 terug worden opengesteld voor de scheepvaart. 

Op 16 juli 1863 werd de Schelde vrijgekocht, waardoor er nieuwe mogelijkheden ontstonden voor scheepvaart en haven. De eerste spoorbrug kwam er in 1865 aan Wittouck Suikerfabriek (lijn Zelzate-Lokeren).

De voetgangersbrug in Zelzate werd meer noordwaarts gelegd omdat de oude brug, juist in de bocht gelegen, te gemakkelijk werd afgevaren. Lag de brug aan Claeyskens op de meest geschikte plaats voor het waterverkeer, voor het rijtuigverkeer lag de oude brug - Groenstraat-Frans-Wittoucklaan - heel wat beter! Gedeeltelijk werd daarin verholpen door het aanleggen van de Kanaalstraat.

Rekening houdend met het toenemend zeevaartverkeer te Gent en met de vervanging van zeilschepen door stoomschepen, verlangde men een grotere diepgang. Dit kon door verdere uitgraving of door het waterpeil te verhogen zonder graafwerken uit te voeren. Op 22 januari 1866 besliste de Gentse gemeenteraad tot uitvoering van een combinatie van de twee technieken. In 1870 vingen de werken aan. De diepgang werd op 6,50 m gebracht, de bodembreedte bedroeg 17 m en de breedte van de waterspiegel 56,30 m. Van 1875 tot 1879 werden al de bruggen over het kanaal op Belgisch grondgebied herbouwd.

VII. TWEEDE DOORSTEEK TE ZELZATE

Door de evolutie van de zeescheepvaart, met toename van de tonnemaat en het verlengen en verbreden der schepen, werd de bocht die het kanaal maakte op het grondgebied van Zelzate een ware hindernis. In 1879 kwam er een overeenkomst met de Nederlandse Regering voor verbredingswerken op het Hollandse en rechttrekking van de bochten. Tal van tegenkantingen moesten echter overwonnen worden alvorens de Nederlands-Belgische conventie van 31 oktober 1879 uiteindelijk in beide landen werd goedgekeurd. De Nederlandse Regering verbond er zich toe om tussen België en Sas-van-Gent aan het kanaal een zelfde dwarsprofiel te geven als het aansluitende gedeelte op Belgisch grondgebied. Te Sas-van-Gent moest in een te graven zijkanaal een nieuwe schutsluis worden gebouwd.

In april 1881 was gans het Belgisch kanaalgedeelte reeds gemoderniseerd. Voor de werken op Nederlands grondgebied werden in 1880 de definitieve plannen opgemaakt en in 1881 de nodige gronden aangekocht. Zij werden in 1882-1885 uitgevoerd. Het gedeelte Sluiskil-Terneuzen, reeds ruim genoeg, moest geen verbreding of verdieping ondergaan. De nieuwe schutsluis te Sas-van-Gent werd op 1 september 1885 definitief voor de scheepvaart opengesteld. Op 20 juni 1889 werd het laatste vak Rieme-Zelzate feestelijk ingehuldigd. Drie Engelse schepen met katoen geladen vaarden voor het eerst door de tweede doorsteek. Drie bruggen lagen erover: Terdonk, de Spoorbrug en de brug aan de Stationsstraat. Vanaf dan had Zelzate een eiland.

De steeds toenemende afmetingen van de zeeschepen deden spoedig gevoelen dat Gent met het bestaande zeekanaal op de duur niet in staat zou zijn met andere havens te concurreren, en aangezien de diepteligging van de buitenslagdorpel van de grote sluis te Terneuzen bij dode getijen het schutten van schepen met grote diepgang dikwijls belette, werd door Gent nogmaals op nieuwe verbeteringen aangedrongen.

Na een Belgisch-Nederlandse conventie getekend op 29 juni 1895 te Brussel en een aanvullende conventie op 8 maart 1902 te Den Haag, werden de voorziene afmetingen der kunstwerken verhoogd. Werden voorzien en uitgevoerd: een nieuwe zeesluis, nl. de huidige Westsluis te Terneuzen (lengte 140 m, breedte 18 m, waterhoogte 8,35 m) en het afleidingssas te Sas-van-Gent (lengte 200 m, breedte 26 m, waterhoogte 9,50 m). Op het nieuw verbeterd kanaaltracé bedroegen de afmetingen op Nederlands grondgebied 67 m breedte aan de waterspiegel en 24 m bodembreedte, op Belgisch grondgebied 97 m minimumbreedte aan de waterspiegel en 50 m bodembreedte, behalve in de doortocht te Zelzate (34 m). Over gans de lengte van het kanaal was de waterhoogte 8,75 m met een toegelaten scheepsdiepgang van 8 m.

De nieuwe kaaimuren te Zelzate waren klaar in 1904. In dat jaar werden te Zelzate 2 elektrische bruggen gebouwd: een voetgangersbrug en een spoorbrug. De laatste kanaalwerken waren op 1 mei 1909 voltooid, de Westsluis te Terneuzen op 1 december 1904 en de sluis te Sas van Gent op 28 november 1906. De sluizen, op 1 oktober 1908 voorlopig in gebruik gesteld, kenden een officiële opening op 15 februari 1910, in tegenwoordigheid van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina.

In Zelzate werd de oude kanaalarm gevuld, in 1910 de grote brug aan het gemeentehuis in gebruik genomen en in 1911de treinbrug aan het gesticht.

Dan kwam de Eerste Wereldoorlog de scheepvaart lam leggen. Op 12 oktober 1914 wordt het Kanaal gesloten voor de zeevaart. In 1918 waren alle bruggen tussen Gent en de Nederlandse grens vernield. Vier ‘torpilleurs’ geladen met cernent en zeven andere gezonken schepen versperden de vaargeul. Pas op 15 maart 1919 kwam het kanaal weer vrij. Een pontbrug verzekerde de overzet te Zelzate tot 1931.

Op 10 mei 1940 volgde opnieuw een oorlogsverklaring met Duitsland. Alle bruggen, ook die in Nederland, werden vernield. Op 28 mei volgde de capitulatie van België. Het duurde tot 26 juli 1940 vooraleer het Kanaal weer werd opengesteld en noodbruggen werden geslagen. Op 25 oktober 1944 voltooide men de herstelling van een zware beschadiging van de Westsluis te Terneuzen. Het kanaal was weer bruikbaar op 13 november 1944.

Op 11.3.1945 kwam er terug een akkoord België-Nederland tot verbreding en verdieping van Kanaal Gent-Terneuzen. De werken vingen aan nog voor de officiële bekrachtiging. Op 6.12.1954 kwam er een einde aan de pontmiserie en had de inhuldiging plaats van de vernieuwde brug in aanwezigheid van burgemeester Chalmet en pastoor De Mulder.

VIII. DERDE DOORSTEEK TE ZELZATE

In 1960 werd tussen Nederland en België een volledig akkoord bereikt over de uitbouw van het zeekanaal tot een capaciteit van min. 50.000 ton. Hiertoe besliste men tot de bouw te Terneuzen van een nieuwe grote zeesluis en van een nieuwe binnenvaartsluis geschikt voor duwvaart, evenals van twee buitenhavens als toegang tot deze sluizen. Tussen Gent en Zelzate werd de breedte aan de oppervlakte op 200 m, de bodembreedte op 101,5 m en de diepte op 12,5 m gebracht (voorheen resp. 100 m, 50 m en 8,75 m).

In Zelzate werd een derde tracé aangelegd, daar het bestaande kanaal er door bebouwingen was ingesloten. De afmetingen zijn 150 m, 72 m en 12,5 m. Dezelfde afmetingen kreeg het kanaal ook over het verdere tracé Sas-van-Gent-Terneuzen (voorheen resp. 74 m, 24 m en 8,75 m).

De nieuwe zeesluis te Terneuzen is 290 m lang, 40 m breed en 13,5 m diep. De binnensluis is 240 m lang, 24 m breed en 4,40 m diep. Van de bestaande sluizen werd alleen de zeesluis als reservesluis behouden. De twee oude binnenvaartsluizen, die in de bebouwde kom liggen, werden afgeschaft.

In Zelzate kwamen een nieuwe tunnel en brug. De tunnel, aangelegd door de firma "De Meyer-Saterco" vormt het doorgangspunt in de kanaalzone voor de snelweg Antwerpen-Zelzate-Zeekust. De grondwerken, bedoeld dijken, damplaten en bijhorige wegen rond de nieuwe brug, werden uitgevoerd door de Firma Van Laere uit Burcht. De pijlers en bijkomstige werken door Socol uit Brussel.

Wegens de vestiging van industrie, zowel op linker- als rechteroever, is het kanaal voor ons een nieuwe (betere?) levensader is geworden van uitzonderlijke betekenis, die het agrarisch milieu van vroeger heeft verdrongen.

Opmerking: de meer recente geschiedenis wordt later aangevuld

Auteur: Br. Leopold met medewerking van Roger Audenaert en Omer Pauwels.
Bron: Sint-Laurensklok Jg. 38 N° 1, tijdschrift van de oud-leerlingen van Sint-Laurens.

 

Back Home Up Next

pagehits sedert 04-11-2000:

website Martin Acke

 martin.acke@telenet.be   © 2000-2014