Geschiedenis 1

Home Nieuws Zelzate Leeft Gemeentebestuur Politiek & Beleid Zoeken & Links Sitemap

 
Home Up Next            20-09-2002

 

DE GESCHIEDENIS VAN DE SINT-LAURENTIUSKERK AAN HET ENDEKEN:

Na de grote watersnood van 1377, die het noorden van Vlaanderen en Zeeland teisterde - Sint-Jan Eremo, Sinte Marguerite, Waterland Oudeman, Watervliet, Zelzate stonden blank - bouwden onze polderboeren en turfstekers een primitief kapelletje, toegewijd aan de H. Laurentius op de rooster, midden de verzopen Karvel, gevat tussen de Liefkenshoek, de Kernemelkpolder, het Vette Gers en de Leegstraat.

Op zondag kwam één van de twee parochiepapen uit de moederkerk “Assenede” door de polderwegen gedabberd, langs ‘t Craeyen Bosch en het goed ten Groene Poele. Een paar hoge botten en stevige benen waren onontbeerlijk in deze gewesten, waar niettegenstaande de Gravejansdijk (1288), overstromingen de gang van het leven bepaalden en de aard, het karakter, het wezen van onze boeren merkten. Op hun zondagdienst waren de bewoners van Het Endeken fel gesteld. Telkens zat het kapelletje nokvol. Daar was maar één beuk met een voutehoogte van gewillig 8,16 m. Na de “zondagsmesse” kon men de lucht snijden. Maar ze kwamen steeds terug, de boeren, zo trouw als de vloed.

Wie in gebreke bleef was de parochiepape zelf. De afstand, de slijkerige wegen, de gure noorderwind van uit de Honte, of de bijtende oosterwind van over het Safetingergat weerhielden de papen. Rond 1525 dacht men er zelfs aan de kapel te sluiten en alles weg te nemen wat tot de vroegere erediensten behoord had.

Pogingen van het Zelzaatse volk om de geestelijken te overhalen de oude costuimen in ere te houden en de godsdienstplechtigheden alhier te hervatten, waren tevergeefs. Na de deken van Hulst en de bisschop van Utrecht op de hoogte gebracht te hebben van het plichtig verzuim van de moederkerk van Assenede, legden onze diepgelovige ingezetenen hun grieven bloot aan Zijn Heiligheid Paus Clemens VII. 

Op 20 januari 1531 vaardigde Z.H. Clemens VII eene breve uit, waarbij de pastoors van Assenede bevolen werd,

 “’t zij persoonlijk, ‘t zij door eener hunner Kapelanen door de bevolking aangenomen, de goddelijke diensten, volgens de oude gebruiken, in de kapel van de H. Laurentius binnen Selzaete te celebreren, en daar ook ‘s nachts te verblijven; zooniet dat de Kerkmeesters der gezeide kapel, samen met de inwoners en met de goedkeuring van den patroon der plaats, eenen kapelaan naar hunnen keuze mochten aanwijzen, die dezelfde zou verrichten, en die ook alle pastoreele rechten zoude genieten.” 

De heren Dekens van St. Donatiaan te Brugge en Ste Pharaïldis te Gent - toen behorende tot het bisdom van Doornik - werden samen met de Bisschop van Utrecht gelast het pauselijk decreet te doen handhaven en de bevolking te beschermen.
(Kerkarchief).

Een kapelaan met pastorale rechten… Beide parochiepapen in Assenede dachten aan de 70 gulden competentie en de prebenden… Neen, nog liever door het zeeslib ploeteren in weer en wind, dan het pastoraal inkomen te zien wegvloeien naar de Zelzaatse waterzak. Zo kwam het dat pastoors om beurt alhier verbleven in een daartoe opgetrokken pastorijke, tegen de Kerkstraat aan. ‘n Rustig leventje was het nu bepaald niet. Vooreerst de ketters die zich, na de overdracht van de Nederlanden aan Filips II in 1555, van uit de Axelse burcht kwamen vestigen in de Autrichen polder, langsheen het nieuw kanaal (Westdorpe). Dan de dwarsdrijverijen van Assenede, de hatelijke afpersingen van de tiendenheffers en de eeuwig wederkerende overstromingen.

In 1559 richtte Filips II 14 nieuwe bisdommen op, waaronder Ghendt, waaraan Assenede en Selzaete verbonden werden. Gent was niet zo ontoegankelijk meer, nu er mogelijkheid bestond een baarze in te leggen op de nieuwe “Ghendschen vaert”. Maar Zelzate stond nu ook veel makkelijker open voor de inval van de Geuzen, die in 1568 “de nieuwe beloep van Assenede” kwamen plunderen en de kerk in brand steken. Wat nog staande bleef werd de prooi van de watersnood op Allerheiligen 1570.

Het was een fatale golvenvloed, van uit de Honte rusteloos voortgezweept. De storm holde vrij door het land en verzwolg de parochiën Sandedeyk, Oosterblijde, Hoetene, Polder van Namen, Saftingen en Triniteyt, alle van de dekenij Hulst. De Braakman speelde zijn grofste spel. Raepenburch en Zelzate zouden ook door ziekte, pest of hongersnood ten dode zijn opgeschreven, waren er geen ingrijpen geweest van het Spaanse bestuur en bijzonder van de plaatselijke geestelijkheid en de Gentse kloosters, om de schadelijke gevolgen van de overstroming voor mens en vee te voorkomen. Om de kapel te vernieuwen werd beroep gedaan op de moederkerk van Assenede. Tevergeefs! Zelzate moest zichzelf maar behelpen. Kleine onhebbelijkheden die hun oorsprong vonden in de toenemende drang naar onafhankelijkheid kwamen de gloeiende sintel van contreversie nog aanblazen. Enfin, Mgr. Cornelius Jansenius stelde een einde aan de twisten door het herderlijk schrijven van 12 mei 1570:

“Omme te voorsien ende remedieren van alle differenten ende gheschillen gheresen ende noch te rijsen tusschen de Pastoors van beeden de portien van de prochie van Assenede, d’een syn residentie houdende binnen de voornoemde prochie van Assenede ende d’ander binnen de besitte van de Cappelle van Selzaete, midtsgaeders den gemeenten ingesetenen van de selve prochie ende Cappelle, ter cause van den extenden van de limiten van diere, soo is bij mijnen heere mijn heerweerdighen heere ende Vader in Gode, mijn heerweerden Bisschop van Ghendt, met en bij consente van Mher Maximiliaen Vilain Ridder ende heere van Resseghem, Ysseghem, St. Jans Steene, Calkene etc. ende erfachtich Collateur van Assenede en Assenede Ambacht, gheordonneert ende ghestatueert, ordonneren ende statueren bij desen dat de voornoemde prochie van Assenede ghespleten ende ghediviseert sal wesen in twee curen ende prebenden ende dat de vorrs Cappelle ende ‘t besedt van Selsaete van nu voort aen wesen ende blijven sal eene prochiekercke, hebbende eenen pastoor. enz…”

    Onderaan stond geschreven:  Ita testor    Cornelius Jansenius ep. Gandavensis ende Maximiliaen Vilain. (Kerkarchief)

De parochie Zelzate autonoom! Of er gerstenbier gezopen werd hoeft geen betoog. Bij feest en kermis spoelde de levenslust langs alle gaten uit. De Engel, de Lesten Stuyver op Statenbodem, het nieuwe hof van Sint Sebastiaan, de gouden Appel, de Valke en andere herbergen puilden uit van ‘t volk dat, bij pot en pint, afgaf op Assenede, de Bisschop prees in alle tonen en zich een pastoor toewenste naar zijn zin. Hij kwam, die pastoor van hun zattemansdromen, maar later, veel later, toen ze zo nuchter waren iedereen welkom te heten die maar de cure “wilde” overnemen. En dit was Pastoor Jacobus Bertram.

Aan onafhankelijkheid is verantwoordelijkheid gebonden. E.H. Jacobus Bertram droeg die met een competentie van 50 pond, ongeveer 300 gulden ‘s jaars, komende van de tiendenheffers; 20 pond van de Bisschop van Gent voor het missionariswerk in Raepenburch en de plaatsen door de ketters bewoond (Westdorpe); 4 tot 500 patakons opbrengst van de jaarlijkse tiendenverkoop; 7 pond pensioen voor het 1/3 tiende van de polders vanwege de Abdis van Nieuwen Bossche; een novale tiende voor het goed Ter Loover, plus ‘n knus huizeken met lochting en een kerkje in barokstijl dat om onderhoud schreeuwde.

Wat niet tot het inkomen behoorde, maar waarmede de geestelijkheid en de gelovigen toch regelmatig werden gedoteerd, dat was de oorlog. In 1579 overvielen de Fransen Zuid-Nederland. Daarop volgde een overstroming (1586). Kerk en pastorij vielen in onbruik. Men vluchtte naar de Forten. Bisschop Willem van der Lindt zond een vice-pastor, Petrus Schepens, op 13 september 1587, meer om de Spaanse Officier Franciscus de Gabaona in het fort Crequedyck ter wille te zijn dan om de parochie te dienen. Nu ‘t was een welkome hulp die sindsdien niet meer uitbleef.

In 1609 kwam Zelzate onder de dekenij Evergem. Pastoor Adolphus Lecocq vond het kapelleke toch maar al te benepen. De 450 ingezetenen stonden er nog meer gedrumd dan op het pont, zelfs nadat de gelovigen van Sas na nieuwe moeilijkheden, voor 6 jaar op Assenede aangewezen waren (1-1-1613). Pastoor Lecocq verbreedde de kerk over gans haar schiplengte met twee povere beukskens en plaatste drie gloednieuwe altaren die op 14 september 1613 ingewijd werden. De verbrede kerk stond onder 3 daken met twee grote slapers (goten) voor de afvoer van het water. De sneeuw uit de slapers keren, de geboorten noteren (1622), de huwelijken registreren (1617) en de overlijdens boeken (1627), dat was het werk van de Custodes (koster). Natuurlijk ook de (enige) klok luiden om de lieden van Raepenburch tot den Autrichen polder, van Ter Loover tot de Heide op te roepen voor de zondagdienst.

Toen de visitator, onze parochie kwam bezoeken in 1625, zal hij wel grote ogen gezet hebben zoveel gemeten land en zoveel boerenhuizekens onder water te zien staan. En zeggen dat in zo’n verzopen gewest toch nog een mooi kerksken te vinden was, smaakvol versierd ter gelegenheid van het Kerstfeest. Kerstfeest? Was er nog wel vreugde onder de arme boerkens nu de overstroming hun harten deed ineenkrimpen van zorgen voor de toekomst? Pastoor Mommaert wist niet waar eerst de prangende nood te lenigen. “De doopvont is op ‘t randje af gemeen”, schreef de visitator… Die doopvont kon wachten, het hongerige volk niet. Mommaert gaf zich arm, want zelf wachtte hij tevergeefs zijn inkomen af, dat door het volk moest betaald worden. Voor de ramp dacht hij er zelfs aan heen te gaan. Maar nu, met die nieuwe oversopping en op aandringen van Mgr. Antonius Triest bleef hij maar liefst bij zijn verstrooide kudde. De ingezetenen bouwden hem een geriefelijk huizeken en met nieuwe ijver ving hij zijn pastorale taak aan. Kon hij maar een andere vroedvrouw vinden,… Die die hij nu had wist van doopsel en dies meer weinig af. Nu, de koster Frachoys Wuffaert was des te beter: ‘n voorbeeld van stiptheid.

De tachtigjarige oorlog met z’n wisselende krijgskansen hakte de vier ambachten middendoor - alleen de polders hield ze nog gebonden - en bouwde twee forten tussen Assenede en Boekhoute enerzijds, Hulst en Axel anderzijds. In één ervan werd een kapel ingericht “ter causen men de kercke van Selzate niet en mochte gebruiken”. Het verwondert ons dan ook niet dat de kerkjuwelen in 1635 door soldaten gestolen werden.

Het was pastoor Lambert van Roye die de kerk van nieuwe ornamenten voorzag. Hij kocht o.a. in 1641 een prachtige monstrans, een meesterwerk van Joost Lesteens, deken van de goudsmeden van Antwerpen. (Nu nog is ze het pronkjuweel van de Sint-Laurenskerk.)

Waren de grote watersnoden gestuit door de nieuwe dijken van 1613 (Franciscuspolder) en 1625, de overstromingen bleven legio. De Kerkmeesters richtten zich tot het bisdom om een lening van 400 gulden aan te gaan, voor het onderhoud van kerk, pastoor en pastorij.

Waar bleven de tiendenheffers? Bedoeld de abdijen en kloosters die als eigenaar of uitvoerder van verbeteringswerken alle tienden naar zich hadden toegetrokken? Zij moesten toch instaan voor het onderhoud van de kerk en de pastoor! Dat zou Mgr. Antonius Triest eens laten onderzoeken. In het dekenaal register van Hulst zien we dat het request van 2-10-1649 gehoor vond en de verplichte competentie voor de Zelzaatse geestelijkheid in de reine werd getrokken:

 

Ponden

Schelling

Groot

 

De Eerw. Abdis van Nieuwen Bosch

Gent

23

13

1

6

De Eerw. Abdis van de Bijloke

Gent

8

19

8

6

De Eerw. Prelaat van Baudeloo

Gent

5

13

6

6

De Eerw. Urelaat van St. Pieters

Gent

2

12

10

6

De Eerw. Prelaat van Loz

bij Rijssel

3

11

4

0

Het Kapittel van Doornik

Doornik

3

11

9

0

De Eerw. Paters Chartreuzen

Gent

0

13

2

0

De Eerw. Abdis van het rijke Gasthuis

Gent

0

12

13

0

De gouverneurs van de arme scholen

Gent

0

12

3

0

 

50

0

0

0

Dat maakt 300 gulden, en de minste pastorij geniet 400 gulden, schreef E.H. Maenhout in zijnen tijd. Ge ziet, er was niet veel haver in het baksken van Zelzate. Dat bleef zo tot 1762.

In 1625 hadden de parochianen de pastoor een klein maar geriefelijk huis gebouwd. Bij de aanstelling van E.H. Goethals in 1666 was het ten koste van de parochie hersteld, maar in 1686 - ‘t had juist overstroming geweest - mocht pastoor J. Van Coppenolle, die dit jaar alhier kwam, zelf de verschotten betalen om de pastorij te doen herstellen.

Het duurde 24 jaar vooraleer de Raad van Vlaanderen, en na in beroep gegaan te zijn, de Raad van Mechelen, het vonnis velde (9-9-1673), als gevolg van het rekwest van 2-10-1649. De machtige heren tiendenheffers lieten de uitspraak over hun hoofd stroelen als een fris bad en droogden zich daarna netjes af. Alles bleef gelijk het was. Het leven van Pastoor Maenhout (1754) is geknakt geworden door het 18-jaar lang procederen om zijn competenties. Men ging zover de zelfstandigheid van de parochie in twijfel te trekken (9-2-1759). Documenten stapelden zich op voor de grote Raad van Mechelen, documenten zowel van Pastoor Maenhout als van de Burgemeesters en Schepenen van Assenede. Op 2-11-1762 kwam een nieuwe uitspraak:

“De 2 November 1762, overeenghecommen ende ghetrangiseert dat de verweerders als thiendeheffers boven het behoorlijck onderhoud van ‘s heesschers huys tot Selzaete, aan hem in plaats van 300 guldens ‘s jaers, jaerlijkx voor competentie sullen betaelen ter somme van 450 guldens ‘s jaerss in twee payementen te beginnen met ultima April toecommende; en voor augmentatie van competentie “pendente lite” promptelijck sullen oplegghen de somme van 400 guldens daermede den heesschere sigh verclaert te contenteren.”

Gheratificeert te Ghendt 10 Maart 1763 (De kosten waren voor de tiendenheffers.)

Het vonnis bleek weinig krachtig want in 1772 zien we Pastoor Maenhout weer voor de Raad van Mechelen en op 13 mei valt het derde vonnis:

“Den 13 Mei 1772, tot het prevenieren van costelijcke en lanckdurige contestatie, om rueste en eynde van Saecken te becommen”, werd er nogmaals getrangiseert: de tiendenheffers betalen 1.400 guldens aan den pastoor, die verders al de costen van herstelling zou moeten dragen. Pastoor Maenhout was arm geprocedeerd en zag zich verplicht 700 gulden te lenen aan Mgr. Geeraard van Eersel. Toen kwam de Franse Revolutie, die met één klap rechters en tiendenheffers van het tafereel deed verdwijnen.

In de gloed van het procederen zijn we de geschiedenis van de kerk vooruitgelopen.

Oorlog en de overstromingen (1673 - 1686) wedijverden in het aanrichten van verwoesting en joegen Pastoor Butsele met zijn kudde terug de forten in. Onder zijn opvolger, Joannes Van Coppenolle, moest de kerk dringend hersteld worden. Men vatte het plan op er een nieuwe sacristij aan toe te voegen. De ingezetenen vlogen aan de slag, zo vlug en zo ijverig dat ze vergaten de Patroon-Collateur om advies te vragen. Men staakte het spelleken en vroeg toelating.

“A Son Excellence

Madame la Princesse d’Isenghien et de Masnismes, patronesse des offices et bénéfices spirituels du métier d’Assenede.

Remontrent très humblement les curé et marquilliers de la paroisse de Selsaete, partie du dit métier d’Assenede qu’ils ont trouvé que depuis quelsues années en ça, la sacristie de la ditte Eglise de Selsaete a esté despouillée par sept fois, par laquelle despuille la ditte Eglise auroit perdu une somme très considérable contenants environ de deux cents livres de gros à cause que la ditte sacristie et les fenestres d’icelle d’étoient assez souffisantes, du moins trop basses pour garder les ornaments de laditte Eglise, et pour ce remedier les Remontrants ont trouvé bond de faire bastir et eadifier une autre sacristie plus ferme et mieux assurée avec des ferailles dans les fenestres. Laquelle estante entreprise et commencée à bastir les remontrants n’oseraient faire travailler plus avant, parce qu’ils ne sont muny du consentement de votre Excellence, sujet pourquoy ils se retirent vers icelle.

La suppliant très humblement, etc…”

Het antwoord stond in de marge geschreven:

“Nous princesse d’Isenghien et de Manismes, etc… 
consentons que’elle soit achevée pour la confiande et convenance de l’église dudit lieu.

Fait en nostre hostel à Paris sous noter signature et cachet, le vingt-quatrième de Juillet mil six cent quatre-vingt dix-neuf.”
(Signé) La princesse d’Isenghien.

Wat weinig voorzaten vermochten, dat kon Jacobus De Maere, nl. de tiendenheffers bewegen het dak te repareren in 1753. (Hij was het ook die van de Gentse Schepenen vrijstelling van het veergeld verkreeg in 1744).

Zijn opvolger, Pastoor Maenhout, door procederen tot de bedelstaf gebracht, verkocht bijna alle kerkgoederen om, God weet aan welke prijs, de kerk te verruimen met een kruisbeuk en te verrijken met drie splinternieuwe altaren. Voor één keer scheen de zon in zijn leven toen Mgr. Van Eersel de nieuwe kerk plechtig kwam inwijden op 11 mei 1777. Gebeurtenissen zoals de algehele vernieuwing van de kerk, de zelfstandigheid van de gemeente Zelzate (1766) los van de vierschaar van Assenede (behalve juridisch!), de inhuldiging van de eerste brug (1779) waren voor de Zelzaatse bevolking zovele gelegenheden om naar oude gewoonte te teren en te feesten met Vlaamse zwier. De nieuwe kerk volstond amper voor de +/- 1600 zielen. Maar het hoogkoor deed feeëriek aan, bijzonder als de zon scheen door het veelkleurige raam achter het groot beeld van Sint-Laurens. Kon Pastoor A. Hazaert zo’n kerk, gebouwd met het zweet en bloed van zijn voorzaten, prijsgeven aan de Franse Revolutionnairs? Neen, nog liever het geloof geweld aan doen en noodgedwongen de eed afleggen (1794).

Wat de revolutie spaarde, verwoestte een springvloed vanuit de Westerschelde, de nacht van 14 op 15 januari 1808. Toen beet een nijdige vloed de dijken door met een peil zo hoog (18 duim boven het normale) dat hij alles overrompelde: 30.000 gemeten land lagen verdronken en 20 ingezetenen lieten er het leven bij in. Pastoor De Longe, de Meyer Jan Colpaert en de Sint-Sebastiaansgilde beantwoordden edelmoedig de oproep van de onder-prefect te Eeklo - zelfs Keizer Napoleon stuurde financiële hulp - en verzamelden giften, die notaris Servaas Boeckaert uit Eeklo verdeelde over de geteisterde gewesten.

En de Kerk? Reparaties aan dak en toren (1809) en daarna opkuis van de gehele binnenruimte (1810) hoorden natuurlijk bij de gevolgen. Toen Pastoor De Longe dacht aan een rustige periode van peiselijk apostolaatswerk, kwam daar weer een regenperiode, zó overvloedig en zó lang (1816) dat ze alle vorige rampen in de schaduw stelde. De goeverneur van Oost-Vlaanderen vaardigde drastische maatregelen uit om ziekte en pest, hongersnood en woeker tegen te gaan. Pastoor Willems zag zijn kerk verzopen, de daken stuk, de goten  lek, de muren ziltig. Wat al uitgaven voor ‘n kerk, die dan toch te klein zal blijven! Na veel delibereren werd een nieuwe poging gedaan om plaats te winnen. Pastoor Willems bouwde een vonte-kapel aan de zuidkant met een gloednieuwe doopvont: voet en kuip in graniet (1829) deksel in koper, van de hand van Jan-Baptist Thysens (1827). Terwille van de symmetrie kwam er een soortgelijke uitsprong aan de noorderzijde, met uitgang, om de doden naar het kerkhof te dragen. En om het werk te bezegelen: een nieuw tabernakel (1830).

1843: Nieuwe roep naar ruimte! Om gans het binnenste van de kerk te kunnen benutten, bracht Petrus De Sutter het portaal naar buiten (1843). Au surplus, schonk hij de kerk een nieuw orgel, nog wel met 4 oktaven. Een ijzeren hekken aan twee arduinen pijlers (1854) langs de straatkant, een rij armenhuizenkens langs de Pater-Stevenstraat, en zowel het kerkhof als de lange reeks vergrotingen van de aloude kapel waren afgesloten. Pastoor Baetens overdreef niet toen hij schreef dat zijn kerk voor geen vergroting meer vatbaar was. ‘t Was een onogelijk complex van wansmakelijkheden geofferd aan ruimte en lucht. Groot was het op de achtergrond van de omstandigheden, maar erg benepen voor 3.661 zielen. Zelfs de klok barstte van benauwdheid op 16 oktober 1867.

De volgende generatie pastoors ijverde voor de meubelen en gewaden, beelden en kruisweg, in afwachting dat de tijden rijp zouden zijn voor de opbouw van een nieuwe kerk.

Het was een lange tijd van 1377 tot 1879. En nog lag Laurentius op de rooster. We hebben drie beulen aan het werk gezien: de overstromingen, de onwil van Assenede, de tiendenheffers. Zelzate weet hoe gevaarlijk het water en de legerbenden zijn wanneer die overspoelen, en wat daarna voor de inwoners overblijft. Watersnood is heerkracht. Niemand heeft schuld aan de grote rampen (1377, 1570, 1625, 1673, 1808, 1816) en de kristenmensen droegen ze gelaten. Maar wat lastiger en pijnlijker viel, was de onwil van Assenede. Die bleek bij de bediening (1531), bij de scheiding (1570), bij de aanhechting bij Raepenburch (1615), bij de besnoeiing van de pastorale competenties (van 70 tot 50 pond) en bij de rare praktijken van Pastoor Mommaert die bij zijn verplaatsing naar Assenede de pastorale tienden van Ter Loover behield. En dan die eeuwige geldduivels, de tiendenheffers. Trouw als de overstromingen waren de heren erbij om de tienden op te strijken, maar niet om de lasten te dragen eraan verbonden. Ware er nog plaats naast de H. Laurentius dan roosterden wij, niet de beëedigde Pastoor Hazaert, maar de harteloze tiendenheffers. Met diep eerbied denken wij terug aan het werk, de liefde, het lijden van de elite onder de geestelijkheid: onze Pastoors. Met hun voorbeeld als stimulans werd de strijd voortgezet door Pastoor Libert, De Moor en Scheerlinck tegen een nieuwe vijand die zich verraderlijk tussen de gelovigen kronkelde als een giftige slang: de politiek.

Auteur: Br. Leopold 
Rekonstructies kapel en kerk: Albert Lefebure naar schetsen van Br. Leopold en een vriend.
Bron: Sint-Laurensklok Jg. 34 N° 2, tijdschrift van de oud-leerlingen van Sint-Laurens.

   

Home Up Next

pagehits sedert 04-11-2000:

website Martin Acke

 martin.acke@telenet.be   © 2000-2014