Interview gepubliceerd in het studentenblad "Schamper" van de Gentse Universiteit

Schamper 358
maandag 2 maart 1998

De schrijversharen van Eriek Verpale

Literaire studentenjaren

Eriek Verpale, geboren in 1952 te Zelzate, studeerde aan onze dierbare UG, toen nog RUG, 1 jaar Germaanse Filologie en 1 jaar Slavistiek (1970-1972). De bekendste literaire wapenfeiten van de man zijn 'Alles in het klein'(1990), 'Olivetti 82'(1993), 'Grasland'(1996) en het pas verschenen 'De patatten zijn geschild'. Voor zijn roman 'Alles in het klein' werd hij in 1992 bekroond met de NCR Literaire Prijs.

Zich ten huize begeven van een schrijver heeft altijd iets spannends. Als lezer heb je steeds weer de onweerstaanbare neiging een plaats waar literatuur gebrouwd wordt te romantiseren. Doch ook deze keer stemt de realiteit niet overeen met het geïdealiseerde beeld. We treffen een goedgemutste Eriek Verpale in een anoniem rijhuis in een banale straat in het fabrieksdorp Zelzate. Z'n schrijversheiligdom beperkt zich tot een gammel bureautje in het verlengde van de woonkamer die weliswaar volgestouwd is met boeken.

Een anti-literaire omgeving

Schamper: Hoe omschrijft U het milieu waar u bent grootgebracht?

Eriek Verpale: ''Och, ik bracht mijn vroegste jeugd door in het landelijke Wachtebeke en kom uit het meest ordinaire, maar dan in de betekenis van gewone, arbeidersgezin. Mijn vader was zijn ganse leven vrachtwagenchauffeur voor een brouwerij, wat het één en het ander met zich meebracht (lacht en maakt drinkgebaren). De smoezen die deze man kon bedenken, waren onbetaalbaar. Iedereen wist dat hij aan het liegen was, maar je was nieuwsgierig wat hij deze keer weer uit zijn mouw zou schudden. Mijn moeder heeft steeds gewerkt als poetsvrouw. Ik kom dus uit een totaal a-literair milieu, ik zou zelfs stellen anti-literair. Thuis waren er geen boeken te vinden.''

Schamper: In uw schrijfsels zijn hier en daar sporen terug te vinden van een joodse achtergrond. Hoe komt dit?

Verpale: '' Wel, eigenlijk ben ik tot mijn twaalfde opgevoed door mijn overgrootmoeder, die vlak naast ons woonde. Zij was joodse en wekte mijn belangstelling voor de joodse cultuur. Toen ik op de lagere school het alfabet leerde, heeft mijn overgrootmoeder me ook het Hebreeuwse alfabet geleerd. Ik kan niet zeggen dat ze me echt Jiddisch heeft geleerd, maar ze zorgde voor de basis. Later ben ik dat allemaal zelf gaan uitpluizen. Van '75 tot '77 heb ik Hebreeuws gestudeerd en ik heb toen een tijdlang intens contact gehad met de joodse gemeenschap van Gent. Maar ja, ik woon in Zelzate en ik denk dat ik hier op mijn eentje de joodse gemeenschap vertegenwoordig. Nochtans heb ik een streng katholieke opvoeding gehad. Ik denk dat mijn interesse voor de joodse cultuur voortkomt uit het feit dat een mens op een gegeven moment op zoek gaat naar zijn eigen identiteit. Ik heb vaak het gevoel dat ik tussen twee culturen in zit. Bovendien is mijn vrouw arabiste en islamologe zodat er hier van alles wat is''

Schamper: Vanwaar komt uw interesse dan voor literatuur?

Verpale: '' Na de lagere school volgde ik Economie-Talen als interne leerling bij de broeders in Oostakker-Lourdes. Nu, op een kostschool waren de ontspanningsmogelijkheden zeer beperkt als je niet aan sport deed. Daar ik niet sportief was aangelegd, bleef er niets anders over dan lezen, lezen en lezen. Met alle gevolgen van dien, want dan las je ook dingen die je niet mocht lezen.''

Schamper: Heeft U problemen gehad met uw leeswoede op school?

Verpale: ''Jaja. Wij hadden op school een zeer uitgebreide bibliotheek, maar dan wel eenzijdig uitgebreid. Van Louis-Paul Boon was geen sprake, laat staan dat je Claus daar kon vinden. Op een gegeven moment was ik door die bib heen en ben ik zelf boeken beginnen kopen. Ik zal toen 15 à 16 jaar geweest zijn en verdiende in de vakantie wat zakgeld met klussen. Zo had ik 'Wij, helden' gekocht van Simon Vinkenoog, de goeroe van Amsterdam die experimenteerde met LSD en marihuana. Ik had het echter uitgeleend aan een medeleerling en bij een controle van de kamers door de surveillant viel dat boek van onder zijn hoofdkussen. Het had nog het meest onschuldige boek mogen zijn, maar een boek dat onder een hoofdkussen zat was al per definitie verdacht. Met als gevolg dat mijn arme ouders per brief gesommeerd werden om naar school te komen. Er werd gedreigd dat ik van school zou gestuurd worden. Gelukkig is mijn toenmalige leraar Nederlands voor mij in de bres gesprongen : 'jamaar, hij leest veel en hij kan daar wel tegen.' Vanaf dit voorval tot het einde van mijn humaniora moest ik elk boek dat niet uit de schoolbibliotheek kwam gaan tonen aan mijn leraar Nederlands, die dan een schriftelijke toelating moest geven. Af en toe gebeurt het nog dat ik een boek neem uit mijn bibliotheek en er nog een dergelijk briefje in aantref.''

Gent: vrijheid, blijheid!

Schamper: Na je humaniora ging je aan de Gentse unief Germaanse studeren. Was dit een voor de hand liggende keuze?

Verpale: ''Ja, ik was in de humaniora, al zeg ik het zelf, een zeer goed student. Een eeuwige tweede. De grote droom van mijn moeder was dat ik leraar zou worden, net zoals een of andere kozijn van haar. Dat was in haar ogen zowat het hoogste dat je kon bereiken. Gezien mijn zeer grote belangstelling voor literatuur, heb ik voor Germaanse gekozen. Ik moet bekennen dat ik vrij snel teleurgesteld was. Ik had me de unief voorgesteld als een bolwerk van wijsheid waar je ook je eigen interesses kon uitspitten. Ik had het moeten weten want de decaan had bij de openingstoespraak gewaarschuwd 'En al de mensen die Germaanse willen gaan studeren omdat ze graag boeken lezen, raad ik thans aan om naar huis te gaan.'. Ik ben gebleven maar heb mijn draai niet kunnen vinden.''

Schamper: Het daaropvolgende jaar bent u dan Slavistiek gaan studeren. Ook daar hebt u het slechts een jaar uitgehouden. Ook teleurgesteld?

Verpale: '' Neen, Slavistiek lag mij heel goed. De groep was veel kleiner en ik was enorm geboeid, niet alleen door de Russische literatuur maar ook door alle andere vakken. Ik heb nog les gehad van de haast legendarische prof Frans Vincke, die een uitmuntend verteller was. Ivan de Verschrikkelijke en Raspoetin waren zijn stokpaardjes. Aan hem heb ik mijn belangstelling voor Oud-Slavische muziek te danken. Om familiale redenen heb ik dan die studie moeten stopzetten.''

Schamper: Met spijt afscheid genomen van het studentenleven?

Verpale: ''Tsja, het was geen vrije keuze. Ik had voor die periode zes jaar achter slot en grendel gezeten en dan plots een enorme vrijheid gekregen. Ik kon mijn tijd ineens zelf indelen, zelf kiezen of ik naar de les ging of niet en lezen wat ik wilde lezen. Ik ben tijdens mijn legerdienst nog getrouwd en onmiddellijk daarna gaan werken in een fabriek. Maar tot op vandaag ben ik me tamelijk intensief met Russische literatuur blijven bezighouden. Tijdens mijn legerdienst heb ik het voor elkaar gekregen dat ik kon beschikken over een leegstaand aalmoezenierslokaaltje waar ik kon lezen en schrijven.''

Schamper: Was u een kotstudent?

Verpale: ''Daar er slechts twee tot drie bussen per dag vanuit Wachtebeke naar Gent gingen kon ik moeilijk anders. Ik zat echter heel ver van 'den Blandijn' omdat ik om financiële redenen een kot moest zoeken dat niet te duur was. Zo ben ik beland in de Baudelostraat. Daar kon je koten vinden voor 1000 frank per maand. Voordeel hiervan was dat ik in een heel gezellige buurt zat met een parkje en de openbare bibliotheek binnen handbereik. Johan Daisne was toen nog hoofdbibliothecaris. Vaak ging ik 's ochtends om negen uur al een boek halen, dat ik dan nog voor sluitingstijd had uitgelezen. Hele dagen heb ik in die bibliotheek doorgebracht!''

Schamper: Was je als student betrokken in het Gents verenigingsleven?

Verpale: ''Eigenlijk niet. Ik had weinig contact met andere studenten en nam niet deel aan het 'echte studentenleven. Ik zat niet in een vereniging. Wel ben ik samen met Roel Richelieu Van Londerzeel betrokken geweest bij de oprichting van het literaire tijdschrift 'Koebel' dat het toch heeft uitgehouden tot '82. Daar zijn dan ook mijn eerste pennevruchten in verschenen. In het studentenmilieu heb ik ook een aantal mensen leren kennen die net als ik bezig waren met literatuur. In de Slavistiek leerde ik de dichteres Miriam Van Hee kennen waarmee ik een drukke briefwisseling had.''

Schamper: Hoe ging het er in het uitgaansleven aan toe?

Verpale: ''Aan het echte uitgaansleven heb ik niet deelgenomen. Het uitgaansleven concentreerde zich toen op het Zuid, de Kuiperskaai. Café 'Den Amber' was toen één van de grote trekpleisters. Er werd daar op bepaalde dagen getapt aan 5 frank voor een pint. Ik heb nog een tijdje gewerkt in een cafeetje op het Zuidplein, 'Het Kantientje', maar daar heeft op een gegeven moment iemand de bazin en twee klanten neergeschoten en toen was het uit met de pret. Ik ging vooral veel naar de film. Ik herinner mij dat toen het plafond van de Studio Skoop was beplakt met lege eierkartons om het geluid te dempen. Met de regelmaat van de klok viel er dan zo'n karton naar beneden. Ik heb daar de hele rimram van Kurosawa gezien. Andere films die me zijn bijgebleven zijn 'Woodstock', 'Blow up', en 'Don't look back' van Bob Dylan. Een filmticket kostte toen ongeveer 40 frank.''

Schamper: Om af te ronden, wat is uw kijk op het leven?

Verpale: "Om het met een boutade van Reve te zeggen, 'het leven heeft vaak weg van een slecht gecomponeerde Duitse operette'. Gecomponeerd omdat ik niet geloof in toeval. Sommige dingen zijn me op een danig absurde manier overkomen dat ik denk dat toeval niet bestaat. Wij dobberen voort. Hierover heb ik steeds eindeloze discussies met mijn goede vriend Luuk Gruwez, die gelooft dat alles toeval is.''

Schamper: Bedankt voor dit gesprek.

 

bri&an/greet